hoofdstuk 6 / 8

6. Onderzoeksopzet

Introductie

Het belang van een goede onderzoeksopzet staat buiten kijf. Het uitschrijven van de opzet – voordat het daadwerkelijke onderzoek start - dwingt om duidelijk te zijn over doel, doelgroep, onderzoeksvragen, aanpak, planning en eindproduct. Het kan verschillen per onderzoek hoe uitgebreid deze opzet zal zijn en wat daarin precies wordt opgenomen.

Aandachtspunten

  • Je kunt een basis-sjabloon van een onderzoeksopzet hanteren, dat per onderzoek wordt aangepast.
  • Maak duidelijk wat het doel van het onderzoek is én hoe dit bijdraagt aan het doel van de rekenkamer.
  • Soms is het goed om eerst een korte voorverkenning te doen (wat speelt er, wat is al bekend, waar moet het wel of niet over gaan) alvorens de opzet uit te werken.
  • Het wiel bestaat al: kijk naar eerdere onderzoeken van andere rekenkamers, voor ideeën over onderzoeksvragen, aanpak, et cetera.
  • Besef dat je niet alles kunt weten van elk onderwerp. Soms kan het goed zijn een extern deskundige te laten meekijken bij een onderzoeksopzet of offerte-aanvraag.
  • Zorg voor brede verspreiding van de onderzoeksopzet, zodat je transparant werkt en de betrokken partijen niet onnodig verrast.
  • Een startgesprek (met ambtenaren, bestuurlijk portefeuillehouder, onderzoekers en rekenkamer) over de opzet, voorkomt verrassingen, draagt bij aan draagvlak en kan het onderzoek inhoudelijk en procesmatig beter maken.
  • De onderzoeksopzet kan nog worden bijgesteld. Als eerste onderzoeksresultaten het zicht op werkelijke probleem verscherpen, kan het goed zijn om de probleemstelling aan te passen.1

Afwegingen

  • Hoe en hoe intensief betrek je raad, college en ambtenaren bij de onderzoeksopzet? Blijft dat bij informeren of kun je ook consulteren of zelfs coproduceren?
  • Kun je in dit onderzoek samenwerken met andere rekenkamers, verloopt het onderzoek dan effectiever en/of efficiënter?
  • Ga je het onderzoek uitbesteden of zelf uitvoeren, of een mix van beiden?
  • Hoe zorg je voor goed opdrachtgeverschap bij uitbesteding? Hoeveel ruimte laat je aan het eventuele uitvoerend bureau om de aanpak te bepalen? Of suggesties te doen voor (betere onderzoekbare) vraagformuleringen? En hoe ga je om met de spanning tussen de rekenkamer als kenner van de gemeente versus het onderzoeksbureau als expert met brede ervaring?
  • Hanteer je een normenkader, en zo ja, formuleer je dat vooraf of tijdens het onderzoek?

Voorbeelden

  • De rekenkamercommissie Houten stelt een korte startnotitie op voor een onderzoek (inclusief beschikbaar budget), nodigt vervolgens onderzoeksbureaus uit voor gesprek over hoe zij dat zouden aanpakken, en kiest dan een bureau dat een voorstel uitwerkt en het onderzoek gaat uitvoeren.
  • Als je onderzoek doet naar de stand van zaken op een bepaald terrein, kun je dit een nul-meting noemen. Dat impliceert dat er vervolgmetingen komen. Je kunt de raad aanbevelen om het college op te dragen om over twee jaar een vervolgmeting te doen, zodat een zekere doorwerking van je onderzoek geborgd is.
  • De rekenkamers Amersfoort en BEL houden op basis van een vooronderzoek gesprekken met drie bureaus, die een onderzoeksaanpak presenteren. Daaruit wordt één bureau gekozen die de aanpak uitwerkt en het onderzoek gaat uitvoeren. Dit scheelt de onderzoeksbureaus het schrijven van een uitgebreide offerte, en de rekenkamer kan dan voordat alles uit wordt gedacht en uitgeschreven waar nodig bijsturen op basis van de opzet.
  • Diverse tips over het uitbesteden van onderzoek vind je op de NVRR-wiki.
  • De Rekenkamercommissie Stichtse Vecht neemt standaard in de onderzoeksopzet op dat er tussentijds een raadsbijeenkomst wordt gehouden, zodat de rol en het perspectief van de raad in elk onderzoek nadrukkelijk aan de orde komen. Hierdoor snappen raadsleden ook beter de achtergrond en bedoeling van de uiteindelijke conclusies en aanbevelingen.
  • Zie ook de NVRR-wiki over onderzoeksopzet.
  • De rekenkamer Nijmegen onderscheidde in haar Notitie Werkwijze (2016: 8) vier specifieke doelen voor onderzoeken: “Naast het algemene doel van Rekenkameronderzoek (terugkijken naar het verleden om te leren voor de toekomst) onderscheiden wij vier mogelijke specifieke doelen: inzicht vergaren (door het bieden van transparantie); een oordeel geven; een verbeterproces stimuleren; of een impasse doorbreken”. Per onderzoek wordt bepaald waar de nadruk op ligt.
  • Overweeg je samen met andere rekenkamers onderzoek te doen, kijk dan op de NVRR-wiki’s Scorekaart deelname gezamenlijk onderzoek en Lessen gezamenlijk onderzoek.
  • Hieronder zie je een suggestie voor een werkvorm om binnen je rekenkamer in gesprek te gaan over de onderzoeksopzet.

Voorbeeld van een werkvorm voor Onderzoeksopzet: Simpel, nieuw, interessant

Soms wil je even helemaal los van de normale gang van zaken nadenken over een onderzoeksopzet. Dan doe je met elkaar een brainstorm, waarbij dus alles goed is. Dat is op zich nog niet zo spannend. Maar hoe ga je al die ideeën nu tot iets echt anders maken? Met deze techniek:

  1. Bedenk zo veel mogelijk ideeën en deel ze in in de volgende categorieën
    • simpel: direct toepasbaar
    • nieuw: origineel en uitvoerbaar
    • interessant: niet voor nu maar misschien voor later tot ‘echt gek’
  2. Probeer – zonder te oordelen - in elke categorie zo veel mogelijk ideeën te bedenken, ten minste acht per categorie.
  3. Selecteer twee of drie ideeën per categorie en kijk of je ze kunt samenvoegen tot iets nog beters. Om verder te komen, is het belangrijk dat je voorbij de voor de hand liggende manieren denkt. Hoe meer manieren je vindt om iets te doen, hoe groter de kans dat er iets echt goeds tussen zit.

(bron: het boek “Lenig denken”, Marenthe de Bruijne en Sigrid van Iersel)

Voetnoot

  1. “Het rekenkameronderzoek moet nieuwe kennis opleveren. Toch wordt gepoogd van tevoren een duidelijke en precieze startnotitie op te stellen. Beide zaken lijken strijdig. Niet alles dat tijdens de uitvoering van het onderzoek naar voren komt, kan van tevoren worden voorzien. Dat hoeft ook niet. De vragen die de rekenkamer probeert te beantwoorden, liggen wel vast. Ook de wegen die worden bewandeld om de benodigde gegevens te verkrijgen, liggen na het vaststellen van de startnotitie grosso modo vast.” (Herweijer en Polhuis 2017: 44)